Spreekwoorden met trefwoord ‘dag’


Het is daar iedere dag gezoden en gebraden.

Het is daar iedere dag feest.


Na jaar en dag.

Na een hele lange tijd.


Je moet ook aan de dag van morgen denken.

Schoon schip maken.


Men moet de dag niet vóór de avond prijzen [loven].

Pas als iets helemaal klaar is kun je iets beoordelen.


Hij is voor dag en dauw weggegaan.

Hij is ‘s morgens vroeg vertrokken.


Hij weet dag noch uur.

Hij is niet op de hoogte.




Meer weten over adverteren?