Spreekwoorden met trefwoord ‘hand’


Iets met één hand kunnen doen.

Iets heel makkelijk kunnen doen.


Ik heb hem in de hand.

Ik heb hem onder controle.


Hij heeft er de hand in gehad.

Hij heeft eraan meegeholpen.


Hij heeft de hand mee in het spel.

Hij is er bij betrokken.


Van hoger hand.

Van de leiding.


Hij houd de hand op zijn zak.

Hij is een vrek.


Van iemands hand vliegen.

Zeer ijverig en gehoorzaam doen wat iemand zegt.


Een gat in de hand hebben.

Niet met geld kunnen omgaan.




Meer weten over adverteren?