Spreekwoorden met trefwoord ‘hoofd’


Ergens een zwaar [hard] hoofd in hebben.

Ernstig twijfelen over de goede afloop.


Zijn oren staan te dicht bij zijn hoofd.

Hij is te nieuwsgierig.


Iemand de oren van het hoofd eten.

Heel erg veel eten.


De man is het hoofd.

De man moet de baas zijn over de vrouw.


De man is het hoofd de vrouw is de nek.

De man moet de baas zijn over de vrouw maar de man kan niet zonder de vrouw.


De kei leutert hem in het hoofd.

Hij is zeer dom.


Iemand het hoofd rechtzetten.

Iemand laten gehoorzamen.


Zijn hoofd stoten.

Ergens nul op het rekest krijgen.




Meer weten over adverteren?