Spreekwoorden met trefwoord ‘huis’


We zetten het huis op zolder.

We gaan onbekommerd weg.


Wijd van huis is altijd rijk.

Iemand die van ver komt kan makkelijk liegen.


De vrouw bouwt het huis of breekt het in gruis.

Als je een spaarzame vrouw hebt dan krijg je welvaart; verkwist ze het geld dan raak je


Rijk huis is niet altijd rijkmans huis.

Iemand die in een groot en mooi huis woont heeft vaak zoveel hypotheek dat hij amper kan


zijn moeders huis in brand gestoken.

Hij is nog trots ook op die schandelijke daad.


Een meisje dat fluit moet het huis uit.

Meisjes horen niet in het openbaar te fluiten.


Hij is er als kind aan huis.

Hij wordt er zeer goed (als was hij een eigen kind) behandeld.


Als buurmans huis brandt is het tijd om uit te zien.

Je moet lering trekken uit iemands anders ongeluk.




Meer weten over adverteren?