Spreekwoorden met trefwoord ‘huis’


Ver van huis [je goed] dichtbij je schade.

Je moet je zaak niet aan een ander overlaten.


Zij maakt van haar huis een afgod.

Het schoonhouden van haar huis is voor haar het belangrijkste.


Iemands deur van zijn huis trekken.

Ergens heel erg vaak op bezoek gaan.


Met de deur in huis vallen.

Meteen zeggen waar het om gaat.




Meer weten over adverteren?