Spreekwoorden met trefwoord ‘leven’


Hij is in de winter van zijn leven.

Hij is (hoog)bejaard.


Verandering doet leven.

Af en toe wat verandering van aktiviteit is goed voor de mens.


Van de pen leven.

Journalist of schrijver zijn.


Zijn leven hangt aan een zijden draad.

Zijn leven is in gevaar.


Iemand het leven zuur maken.

Iemands leven vervelend maken.


Een leven als een oordeel.

Het was daar een vreselijke herrie.


Zij leven recht en slecht.

Zij leven eerlijk en sober.


Het leven is zo sterk als pottenbakkerswerk.

Het leven is fragiel.




Meer weten over adverteren?