Spreekwoorden met trefwoord ‘schip’


De wal keert het schip.

Je moet je aan de omstandigheden aanpassen.


Schoon schip maken.

Alle oude rommel opruimen.


Het schip gaat naar de kelder.

Het schip zinkt.


Een schip op het strand een baken in zee.

Je moet lering trekken uit andermans ongeluk; om te voorkomen dat hetzelfde ongeluk jou treft.


Het schip der woestijn.

Een kameel.


Daar komt een schip met zure appels.

Daar komt een stevige regenbui aan.


Een blinde passagier op het schip.

Een verstekeling.


Dat is geen zeil voor dat schip.

Die vrouw past niet bij hem.




Meer weten over adverteren?